(advertentie)
(advertentie)
(advertentie)

Na een wel heel lange pauze hervatten we de wereldreis van muzikant-schilder Def P en zijn bruid Fenske. In drie extra lange afleveringen gaan we deze weken  ook tot het laatste gaatje bovendien. Ze zitten in Canada inmiddels en wel in het Amsterdam van dat land Vancouver. En uiteraard krijgen we ook weer een viertal legendarische en hilarische anekdotes van Def P’s verleden – o.a. met de hiphopcrew Osdorp Posse – opgedist!

Dinsdag 15 juni – Vancouver

Rond een uur of zes in de ochtend schrik ik wakker van een stel irritante en luidruchtige Indiërs bij ons op de gang. Gisteren waren ze ook al de hele dag schreeuwend door de gangen aan het lopen om bij elkaar op de kamers te kunnen eten. De deuren lieten ze daarbij steeds open staan waardoor het over de gehele gang naar take-out curry meurde. Ze stonken zelf ook een uur in de wind en ze spuugden op het chique tapijt als ze over de gang liepen. Irritante gasten dus. Toen we gisteren net lekker lagen te pitten stond één van die achterlijke viespeuken per ongeluk op onze deur te bonken. Zwaar geïrriteerd liep ik in mijn onderbroek naar de deur en zwaaide deze open. ‘What?!’

De Indiër schrok er van. Misschien van mijn zwaar getatoeëerde lijf of mijn boze blik. Hij begon iets van ‘sorry’ te stamelen en ik smeet mopperend de deur voor zijn neus dicht. Daarna heb ik ze gelukkig niet meer gehoord. Tot vanochtend zes uur dus. Gelukkig zijn we door de jetlag al redelijk wakker. We hebben niet alleen een abnormaal lange dag gehad, maar nu ook een hele korte nacht. Gelukkig voelen we ons fit en zitten we al redelijk in het Canadese ritme. Na een relaxt ontbijtje moeten we switchen naar de kamer die we eigenlijk geboekt hebben. Nadat we deze kamer gezien hebben proberen we meteen weer terug te ruilen. We kijken liever uit over de schitterende English Bay dan op de parkeerplaats aan de achterkant. Gelukkig mag dat. We drinken een grote bak koffie op de hoek en pluizen onze plattegrondjes uit. Ons Canadese avontuur kan beginnen!

De Truemanshow

‘Kijk, het schiereiland waarop het belangrijkste gedeelte van Vancouver zich bevindt, is makkelijk rond te lopen, zie je?’ ‘Dat lukt ons wel in een dag’ zegt Fens. Zo hebben we een plan voor de dag en meteen een mooie manier om een eerste indruk op te doen van deze stad. Het weer is ideaal voor een lange wandeling, dus met een rugtas vol koekjes, nootjes en de camera gaan we op pad. Bij elke stap die we nemen worden we meer en meer verliefd op Vancouver. ‘Wat een stad is dit!’ Het is hier mooi, schoon, relaxed, overzichtelijk, de lucht is fris en de mensen zijn bijzonder vriendelijk en behulpzaam. Ik had al vaker verhalen gehoord van mensen die spontaan verliefd zijn geworden op Canada, maar nu we hier zelf lopen lijkt daar geen woord van overdreven. Hier wonen zou allerminst een straf zijn. Alles is hier zo schoon en perfect dat ik het gevoel krijg dat Jim Carrey gehad moet hebben in de “Truemanshow”. ‘Het is net of we door het ideaalbeeld van een reclamespot lopen’ zeg ik. ‘Er is hier ook bijna geen criminaliteit zeggen ze.’ ‘Wat een ideale stad!’

‘Het lijk wel of elke junk, dealer, zakkenroller, mafketel, zwerver, hoer en weet ik al niet wat van Vancouver hier zijn soortgenoten opzoekt!’

Voor het eerst in mijn leven begin ik serieus aan emigreren te denken. Het lijkt alsof er in deze stad geen vuiltje aan de lucht is. Tot we bij Mainstreet aankomen en we dit beeld ter plekke moeten bijstellen. ‘Dit is echt een freakshow van de bovenste plank!’ zeg ik vol ongeloof. ‘Het lijk wel of elke junk, dealer, zakkenroller, mafketel, zwerver, hoer en weet ik al niet wat van Vancouver hier zijn soortgenoten opzoekt!’ ‘Blijkbaar is dat ook zo’ zegt Fens terwijl ze een beetje ongemakkelijk om zich heenkijkt. Plotseling zijn we omringd door een ongelofelijke concentratie van gedrochtelijk gespuis. Een soort zombie-enclave binnen een verder smetteloze stad. Het is een dusdanig ongelofelijk schouwspel, dat het bijna lachwekkende vormen aanneemt. ‘Dit doet me sterk denken aan de Thrillerclip van Michael Jackson’ zeg ik lachend. ‘Alleen deze gasten kunnen niet dansen!’ Fenske moet nu ook lachen, maar ik merk dat ze zich niet op haar gemak voelt tussen al deze schreeuwende en in zichzelf pratende gekken. We lopen gauw door, hopend dat om de hoek alles weer normaal is. En dat is gelukkig ook zo. Blijkbaar is Mainstreet hier ook Freakstreet.

Canadese gastvrijheid

Tegen de avond hebben we ons rondje Vancouver volbracht. ‘Laten we bij ons hotel in de buurt nog één keertje sushi eten om het af te leren’ zeg ik. In het restaurant ontmoeten we een dame van achter in de vijftig waar we meteen een heel gesprek mee hebben. Het is een heel spontaan mens en we hebben een goede klik met haar. Ze blijkt jazzzangeres te zijn en een Nederlandse schoonzoon te hebben. Voor we het weten hebben we adressen uitgewisseld, terwijl we allebei zeggen dat we zoiets normaal nooit doen. Best maf eigenlijk. Ik weet ook zeker dat ik er niets mee ga doen, maar wat haar betreft is dit het begin van een nieuwe vriendschap. Zo is de sfeer in Vancouver dus blijkbaar. Iedereen is vriendelijk en gastvrij, maar ik denk dat ze toch wel verbaasd zou opkijken als we na een tijdje echt voor haar deur zouden staan. ‘Remember us? From Holland?’

Hollandse nuchterheid

We nemen nog een drankje bij een bar om de hoek. Vanaf hier hebben we een schitterend uitzicht op de English Bay en de zon die net onder gaat. ‘Ik ben nu al helemaal fan van Canada!’ zegt Fenske blij. Zo zitten we nog wat na te praten over die mevrouw met haar adres en over hoe oprecht zoiets eigenlijk is. Maar misschien zegt dat wel meer over onze Hollandse nuchterheid dan over de Canadese gastvrijheid. Zelf ben ik helemaal geen type dat snel aanpapt met vreemde mensen, laat staan dat ik daarna nog met ze afspreek. Maar soms heb je toch van die plekken of momenten dat de sfeer zo bijzonder is dat er volgende ontmoetingen uit voort komen. Ruigoord is ook zo’n plek. Ik heb daar de meest bijzondere feesten meegemaakt en ook nogal wat aparte mensen ontmoet.

LANDJUWEELTJE

Sinds ik ooit spontaan op het Landjuweelfestival in Ruigoord terecht kwam, was ik meteen fan van de vrije sfeer daar. Ik bleef alle dagen en ging alle jaren daarna weer. Vooral aan de feesten op het grote veld heb ik fantastische herinneringen. Uit je bol met sex, drugs en rock ’n roll! En niet te vergeten: peace, love and unity. Want iedereen had er zijn tent open staan en deelde gezelschap en goederen met elkaar. Men verkocht paddopannekoeken, cocathee of psychedelische cactusdranken zonder winst, of versierde het tijdelijke kamp met kunstwerken die overal gratis te bezichtigen waren. Fok de wet, en fok commercie. De sfeer was totaal onegoïstisch en daardoor uniek in deze wereld. Ik heb zelfs mensen gesproken die helemaal vanuit Australië kwamen om dit mee te maken.

Ik wil niet overdrijven, maar ik vind Landjuweel een mooi voorbeeld van hoe onze wereld zou kunnen zijn als iedereen wat toleranter en ruimdenkender was. Oftewel wat respectvoller met elkaar om zou gaan. Jong, oud, kleine kinderen, honden, oude hippies, alto’s, punkers, housers, rockers, alles liep en danste door elkaar. Vrolijk en wel. Geen alledaagse vijandigheid, maar Landjuweelse vriendelijkheid. Ik leerde er de mafste, aardigste en meest bijzondere mensen kennen. Dat klinkt allemaal haast Utopisch, maar laat ik niet overdrijven. Op elke plek waar veel mensen samenkomen heb je natuurlijk ook de onvermijdelijke mafketels die de sfeer iets minder ten goede komen.

Schijten in andermans tent

Zo liep er bijvoorbeeld een compleet doorgefreakte dwaas tussen de tenten die letterlijk en figuurlijk de weg kwijt was. Net toen ik bij mijn tent aankwam had hij mijn buurvrouw de stuipen op het lijf gejaagd door zomaar haar tent in te lopen en zijn broek uit te trekken. Al snel bleek dat hij in zijn broek had gescheten. Mijn buurvrouw begon hem gillend naar buiten te jagen. Hij slaagde er nog wel in een schone broek van haar te pikken en liet zijn strontbroek als beloning achter. Twee tenten verderop dook hij weer ergens naar binnen, dus mijn buurvrouw vroeg me of die gek bij ons hoorde. Toen ik dit ontkende vroeg ze waarom hij dan onze tent in ging.

‘Wat?!’ Omdat mijn brein ook al aardig beneveld was viel nu pas het kwartje. Die schijtsliert was naast mijn tent in de tent van Lama gekropen! Ik ritste boos Lama’s tent open en verzocht die schijtwalm vriendelijk edoch zeer dringend de tent te verlaten en nooit meer terug te komen. Gelukkig eindigde dit incident zonder geweld of vieze handen. Maar geloof me, dit is niet iets waar je tijdens een paddotrip op zit te wachten.
Achteraf konden we er allemaal om lachen.

Ook al vreesde ik dat de naderende bulldozers doof zouden zijn, ergens bleef er een greintje naïeve hoop hangen dat de hoge heren wel zouden begrijpen dat dit soort unieke culturele vrijplaatsen belangrijker zijn dan geld

Landjuweel by night… [foto: Evelien Christiaanse/Flickr]

Ook de 2005 editie was weer een mooi feest. Hardcore kamperen, ‘s ochtends een duik in de haven nemen en je daarna als een echte bikkel afspoelen met een tuinslang met koud water. Wat een feesten waren dat. ‘Ruigoord moet blijven!’ riep ik nog vanaf het podium toen ik freestylend met de Guilley Kosterband uit mijn dak ging. Het hele publiek juichte instemmend. En ook al vreesde ik dat de naderende bulldozers doof zouden zijn, ergens bleef er een greintje naïeve hoop hangen dat de hoge heren wel zouden begrijpen dat dit soort unieke culturele vrijplaatsen belangrijker zijn dan geld.

Hasj van Jack

‘Wat voor figuren kom je dan tegen op Ruigoord?’ vraagt men wel eens. Nou, kunstenaars, sjamanen, dichters, goeroes, nomaden, muzikanten, psychonauten, vrijbuiters, je kan het zo gek niet bedenken of ze lopen er rond. Maar vooral feestgangers. Ik zal er eens eentje uitlichten. Toen we tijdens de 2005 editie een beetje aan het chillen waren in de reggeatent van Daan, raakten we aan de praat met een zekere Jack. Een aardige gozer met veel humor. En hij was ook nog ruim voorzien van de nodige pretmiddelen. Toen hij mij een zeer vette hashjoint doorgaf en ik hem daarover complimenteerde, brak hij spontaan een stukje voor mij af. Het spul was zo zacht als een gummetje en rook zoet als wierrook. Hij zei dat als ik er wat van wou kopen, ik maar eens bij hem langs moest komen op zijn boot in de Amstel. In eerste instantie klonk dat wel sjiek, maar even later bleek Jack dakloos te zijn en zijn boot dus niet bepaald een woonboot. Maar er viel mee te leven. Volgens Jack zelf was hij dan ook meer thuisloos dan dakloos. We hebben die avond een hoop lol gehad en Jack wisselde mobiele nummers uit met mijn vriendin voor een volgende afspraak.

Prima ‘manderijntjes’

Een paar weken na Landjuweel was het alweer tijd voor de Parade in het Martin Luther Kingpark. Daar zouden we Jack weer ontmoeten en wat meer van die vette hash van hem kopen. Na een rondje over het terrein te hebben gelopen kwamen we allerlei vrienden en bekenden tegen. Ook Jack kwam enthousiast op ons aflopen. Alsof hij ons wou laten zien dat daklozen best wel sjiek kunnen leven toverde hij een dure fles wijn, een aantal glazen en een brute fles champagne uit zijn rugtas. Hij zei dat hij als klus iemands zolder had opgeruimd. Als hij daarbij iets interessants vond mocht hij het houden. Dure champagne dus! Hij deelde deze met iedereen en haalde even later een paar flinke plakken hash te voorschijn. Deze had hij ook weer via een soort vage coffeeshopconnectie. Ik lachte me rot toen ik zag hoe hij deze had gewogen. Omdat hij zelf geen weegschaal had was hij langs de supermarkt gegaan en had hij ze daar ter plekke gewogen en verpakt. Hij drukte dan op een productknop als “Vomart mandarijntjes” en had meteen een mooie sticker met het juiste gewicht er op. Nou Jack, de mandarijntjes waren prima.

Die nacht gingen we nog even met Jack mee naar zijn boot voor een afzakkertje. Toen werd zijn situatie ons eigenlijk pas echt duidelijk. Hij leefde letterlijk op en van de Amstel. In een klein bootje, zonder verwarming of stromend water, sliep hij in een zelfgemaakt slaaphokje dat hij geïsoleerd had met dekens. Hij waste zich elke ochtend in de Amstel en at zelfs visjes die hij daaruit ving en klaarmaakte in zijn piepkleine keukentje. Stukje bij beetje hoorden we het trieste verhaal achter zijn vreemde leefsituatie. Ik had er bewondering voor hoe hij ondanks alles toch vrolijk, vriendelijk en hoopvol kon zijn.

Toeval?

Twee dagen later liep ik ’s ochtends naar het Centraal Station. Ik liep net in gedachten over Jack en zijn hele verhaal. Ik vroeg me af of ik daar een stukje over zou kunnen schrijven en hoe dit dan moest eindigen. Opeens scheurde er een opgevoerde brommer in volle vaart voor mij langs. Een paar onoplettende toeristen die midden over het fietspad liepen hoorden zijn getoeter nog maar net op tijd en sprongen geschrokken opzij. Toen kneep de man zijn remmen volop in en keerde slippend en toeterend weer om. Ik zag het ploegje toeristen nou nog harder schrikken, maar hij kwam nou juist recht op mij afgereden en deed lachend zijn helm af. Het was Jack. Toeval? Het moest er kennelijk toch van komen dat ik zijn verhaal opschreef.

 

Woensdag 16 juni – Vancouver

Nadat we gisteren rond het stedelijke gedeelte van ons schiereiland zijn gelopen, is vandaag het groene parkgedeelte aan de beurt. Ten noordoosten van het centrum van Vancouver ligt het Stanley Park en zo’n beetje elke Canadees die we tegenkomen zegt dat we daar zeker heen moeten gaan. En ze hebben niets te veel gezegd, het is een prachtig natuurpark. Vanaf het moment dat we hier lopen en de kust opzoeken is de route onwaarschijnlijk mooi. Overal steile rotspartijen met veel groen omringd door de klotsende English Bay, met aan de overkant de stijlvol bebouwde kustlijn van Noord Vancouver. We wanen ons weer eens in een filmdecor met ideaal zonnig weer en geen zuchtje wind. We zijn verbluft door dit mooie uitzicht en beginnen nu nog meer van Canada te houden.

Bij het noordelijkste puntje van het park lopen we onder de gigantische Lions Gate Bridge door. Honderden meters boven ons horen we zachtjes het verkeer razen en daarna lopen we de rust van de natuur weer in. Net voorbij de bocht zien we iets dat in eerste instantie lijkt op een zeehond, maar bij nadere bestudering blijkt het een wilde zeeotter te zijn die een vers gevangen visje zit op te peuzelen. Kennelijk is dit toch wel bijzonder, want ook langslopende Canadezen blijven stil staan om even te kijken. Als de zeeotter zijn visje op heeft laat hij zijn publiek tevreden achter door met een sierlijke boog de baai in te duiken. Hierna loopt iedereen weer verder. Aan de oostkant van het park bezoeken we een aquariumpark. Hier zien we allerlei tropische vissen, maar ook veel lokale (vaak bedreigde) zeebeesten daar worden opgelapt, verzorgd of zelfs gefokt. De bedoeling is dat ze die beesten in meervoud weer los kunnen laten. Een prachtig park in een prachtig park en een goed doel om te steunen. Een paar hoogtepunten zijn de walvissen, de dolfijnen, de zeeotters en een hilarische 4D film over het leven onder water. Dat wil zeggen een 3D film met bijbehorende bril voor de spectaculaire effecten, gecombineerd met frisse oceaanwind, echte belletjes, spetters, trillende stoelen en zelfs friemelende sidderalen die je prikken onder je bioscoopstoel. Jong en oud zitten hier als een klein kind te gillen of liggen helemaal in een deuk. Het is een grappige en realistische bioscoopervaring.

Zin om in Vancouver te gaan wonen

We lopen terug naar de zuidkust van het centrum van Vancouver. Hier kun je voor een paar dollar een piepklein pondje nemen naar Granville Island, dat eigenlijk stiekem een schiereilandje is. Je hebt er een markt voor groenten, fruit en verse vis die er ter plekke wordt binnen gebracht door de vissersboten. Op de kade vind je allerlei restaurants en terrasjes op werfjes waar je verse visgerechten kunt eten. ‘Door dat aquariumbezoek heb ik best trek in vis!’ zeg ik hongerig. Even later eten we bij een ondergaande zon onder de Grandville Bridge. En had ik al gezegd dat het uitzicht daar fenomenaal is? Tot slot probeer ik op een terrasje nog een Grandville Ale. ‘Geinig dat zo’n piepklein eilandje toch zijn eigen biermerk heeft.’ ‘Kom, we nemen één van de laatste pondjes weer terug naar onze kant van de stad’ zegt Fens. Tijdens het varen kijk ik tevreden om me heen en krijg een onwaarschijnlijk goed gevoel over deze stad. Ik betrap mezelf er op dat ik serieus overweeg om hier ooit te gaan wonen. Zoiets zou ik van tevoren nooit hebben voorspeld. Wie weet wat het leven nog brengt.

Ongeveer een uur na het ongeluk wordt het wrak weggesleept, de trolleybus weggereden en het bloed en de olievlekken bedekt met een laagje zand

We liggen laat in bed. Fenske is al in slaap gevallen als ik buiten opeens een hele harde klap hoor. Ik veer meteen op en loop naar het raam. Precies voor ons raam is er aan de overkant een taxi keihard achterop een trolleybus geklapt. De taxi ligt finaal in de prak en zijn hele voorkant is onder de bus geschoven. Ik zie nog net hoe de chauffeur uit de taxi klimt en wankelend de weg op loopt. De man is verward en in shock en maakt een duizelige indruk. Iemand die er vlakbij staat neemt de taxichauffeur bij zijn arm en begeleidt hem naar de stoep waar hij tegen een muurtje kan zitten. Er staan nog een paar mensen bij, maar ik kan niet zien of iemand van hen de passagier is. Het gaat allemaal heel snel. Binnen no time is de politie er bij en worden er mensen ondervraagd en rapporten ingevuld. De taxichauffeur wordt afgevoerd door een ziekenwagen. Er zijn nu ook agenten bij die de hele situatie vanuit elke hoek fotograferen. Ongeveer een uur na het ongeluk wordt het wrak weggesleept, de trolleybus weggereden en het bloed en de olievlekken bedekt met een laagje zand. Best vreemd om dat allemaal recht onder je raam te zien gebeuren. Zo te zien doen de Canadese agenten hun werk grondig.

Verbazing over schietpartijen

Volgens de statistieken hebben ze hier wat criminaliteit betreft ook niet bijzonder veel te doen. Hoewel, misdaad voorkomen lijkt me ook een hele klus. Toevallig hoorde ik vanmiddag op het nieuws dat er hier een tweede schietpartij binnen zes maanden was in de zelfde straat. Er wordt nu onderzocht of er een verband bestaat tussen de twee schietpartijen, maar er heerst vooral veel verbazing omdat Canada normaal zo vredig is. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat er binnen zo’n harmonieuze omgeving een plek als Mainstreet is, waar zoveel junks samenkomen. Nou ben ik als Amsterdammer wel wat gewend als het om  junks gaat, maar die freakshow van gisteren was best een beetje bizar. De meeste junks vind ik te waardeloos om hondenvoer van te maken, maar ik moet toegeven: er zijn ook wel eens momenten geweest dat ik om ze kon lachen.

 

LACHEN OM JUNKS

Ik woon al jaren in het centrum van Amsterdam. Het is algemeen bekend dat junks hier voor overlast kunnen zorgen. Er wordt dan ook regelmatig op ze gekankerd, wat vaak terecht is. Toch moet ik toegeven dat ze soms ook wel voor vreemde of grappige momenten kunnen  zorgen. Zo moest ik voor een theaterstuk eens een aantal dagen oefenen in een ruimte op de wallen. Als je daar de poort uit kwam moest je letterlijk over de junks heen stappen. Op een dag stapte ik de poort uit toen er eentje net een naald in zijn arm stak. Toen ik met een extra grote stap over hem heen ging keek hij net op. Hij herkende mij direct en begroette me uitbundig terwijl hij behendig zijn spuitje leeg drukte. Hij kreeg een enorme glimlach op zijn smoel en begon steeds relaxter te vertellen over de televisieprogramma’s waarin hij mij gezien had. Ik vroeg me af wat er op dat moment door hem heen moest gaan. Zijn betoog werd steeds vager en hij bleef maar doorlullen met die naald in zijn arm. “Ik zap nu weer naar een ander kanaal hoor!’ zei ik. Dat vond hij wel lollig. Ik kapte het maar af, want ik had niet het idee dat dit gesprek nog ergens heen zou gaan. Ik bleef er ook niet op wachten. Ik gunde hem zijn vreemde, maar kennelijk gelukkige heroïnemomentje wel.

Junk met snoepgoed

Een andere keer kwam er op een terras een junk op me af die kennelijk zelf ook dealer was. Althans, hij deed erg zijn best om mij zijn (al dan niet valse) bolletjes bruin of wit aan te smeren. Ik zei: ‘Heb je niets lekkers?’ Hij zei: ‘Wat dan?’ Ik zei: ‘Nou, een Mars of een Snickers of zo?’ Toen schoot hij in de lach en zei: ‘Nee, dat soort snoepgoed doe ik niet aan!’ Dankzij deze lach zag ik duidelijk de erbarmelijke staat van zijn gebit. Ik keek hem aan en zei: ‘Nee, want dat is slecht voor je tanden natuurlijk!’ Iedereen op het terras moest keihard lachen, behalve de junk. Beledigd slenterde hij weer weg. Waarschijnlijk had ik zijn laatste restje zelfrespect de grond in getrapt. Arme junk. ‘Het was maar een geintje!’

Ik word trouwens best vaak herkend door junks. Ik weet niet wat het is, maar ze lijken me toch wel aardig te vinden. Waar heb ik dat in hemelsnaam aan te danken?

Tegen de tijd dat we weer terug kwamen waren al onze waardevolle spullen vakkundig uit onze zakken verwijderd. De junks waren spoorloos. Jezus, wat waren we kwaad!

[foto: serpeblu/Shutterstock]

Ik weet nog goed hoe ik met mijn twintigste verjaardag voor het eerst een feestje gaf in mijn eigen huis in Amsterdam-Oost. Ik had veel vrienden uitgenodigd en dat had weer tot gevolg dat er ook een paar vrienden van vrienden bijzaten. Het toppunt was dat er een vriend van mij binnen kwam met een vage Engelse gozer die hij onderweg in een kroeg had opgepikt. Vond ‘ie wel gezellig of zo. Wij zagen meteen dat het een beginnende junk was en mijn eerste reactie was eigenlijk om hem er uit te zetten. Maar ja, ik leefde toen in een oud afgeragd huis. Mijn meubilair kwam van de vuilnis en er viel ook geen cent bij me te jatten. Waarom zou ik me dus druk maken?

Anekdote over Herman Brood

Al met al bleek deze gozer zo gek als een deur te zijn en hij ontpopte zich al gauw als de gangmaker van het feest. We hebben die nacht ontzettend gelachen met hem en daar nog jaren over nagepraat. Blijkbaar schijnen er ook goeie junks te zijn. Herman Brood was daar het levende voorbeeld van. Daarover heb ik ook nog wel een anekdote: We traden ooit met hem en punkband “the Ex” op in de Melkweg en we zaten allemaal in dezelfde kleedkamer. We hadden van tevoren een gezamenlijke act afgesproken en dat zelfs nog een beetje gerepeteerd bij Herman op zijn atelier. Allemaal hartstikke leuk. Niets mis met Herman.

Maar op de avond zelf had hij ook een paar van zijn verslaafde “vrienden” meegenomen die hij ergens in een kroeg had opgedoken. Toen we met Herman naar beneden gingen om op te treden bleven zij boven in de kleedkamer hangen. Tegen de tijd dat we weer terug kwamen waren al onze waardevolle spullen vakkundig uit onze zakken verwijderd. De junks waren spoorloos. Jezus, wat waren we kwaad! Ik was dankzij Herman bijna wat milder gaan denken over junks, maar na dit geintje wenste ik ze allemaal weer hun graf in. Geluk bij een ongeluk was dat al onze pinpassen later werden teruggevonden op de Zeedijk. Tja, junks zijn vooral grappig als je er niets mee te maken hebt. Jammer dat het zo naar afliep, want Herman zelf was die avond hilarisch als altijd.

De kut van een junk zien in het café

Soms kan lachen om junks ook op een enorme dooddoener uitlopen. Ik zat eens in café Emmelot en daar kwam een vrouwelijke junk naar binnen stommelen. Meestal worden ze er meteen weer uitgezet, maar dit keer had ze mazzel. ‘Kut zien voor een euro!’ riep ze luidkeels door de kroeg. Een ploegje aangeschoten jongemannen vond het wel grappig om allemaal een dubbeltje te betalen zodat ze met zijn tienen naar haar kut konden kijken. Mevrouw junk nam de tien dubbeltjes in ontvangst en liet haar broek zakken. Dat moment zal ik niet snel vergeten. Het harde gelach en gejoel in het bomvolle café verstomde zo snel dat je opeens een speld kon horen vallen. Mevrouw junk liep doodkalm weer naar buiten en liet de luidruchtige dubbeltjesmannen stilletjes en verbouwereerd weer achter. We hadden allemaal weer een wijze les geleerd: Er is niets, maar dan ook niets grappigs aan een smoezelige junkenkut.

 

Donderdag 17 juni – Vancouver

Dit is onze laatste volle dag in Vancouver. Omdat we de afgelopen twee dagen de hele kust van het centrum hebben uitgeplozen is vandaag de binnenstad aan de beurt. De afstanden zijn hier allemaal goed loopbaar dus we zigzaggen het hele centrum door van boven naar beneden en van links naar rechts. We weten ongeveer al wat we kunnen verwachten, maar het is toch wel leuk om ook even het winkelcentrum en het uitgaansgebied te zien. Deze stad heeft veel speciaalzaken voor vintage kleding en oude boeken en platen. En werkelijk overal zitten koffietenten. Het lijkt wel of de mensen hier niets anders doen dan koffie drinken. Om de honderd meter en op bijna elke hoek vind je hier een Starbucks en daartussendoor zelfs nog allerlei andere koffieketens. Voor mij een beetje een overdosis, maar voor een koffiejunk als Fenske is dit hemel op aarde.

We eten die avond bij een Mexicaan en lopen door naar Gastown. Dat is de wat ruigere wijk van de stad. Voor Canadese begrippen dan. We gaan aan de drank in een enorme bar met daarboven een soort jeugdhotel. De begane grond van het pand wordt volledig als bar benut en deze zit afgeladen met jonge toeristen. Het hostel bevindt zich aan de rand van de junkenbuurt, dus we kunnen vanaf onze krukjes voor het raam een bonte verzameling van de meest verlepte freaks voorbij zien scharrelen. We zitten eerste rang voor de poppenkast. We zien duidelijk wie de dealers en de junks zijn in dit tragisch komische schouwspel van zielige losers en gewetenloze winstpakkers. Lekker geheimzinnig doen op straat terwijl de hele bar gewoon kan zien wat je uitvreet. Ja, dat heeft toch wel iets komisch.

Pilletje op

Eén hotelgast heeft waarschijnlijk voor het eerst van zijn leven een pilletje op, want hij staat in zijn eentje, met een walkman op, compleet uit zijn dak te gaan voor de deur van de bar. De hele avond staat hij in zijn eigen bubbel onophoudelijk te dansen en te zingen. Zelfs de voorbij stiefelende junks kijken een beetje vreemd op van deze jonge man. Wij laten ons de drank goed smaken en rusten ondertussen uit van een lange wandeling. En dat alles met gratis achterbuurtentertainment.

‘Het wordt donker.’ ‘Zullen we naar ons hotel terug lopen?’ ‘Prima, maar laten we daarbij zo veel mogelijk kleine straatjes meepakken die we nog niet kennen’ stel ik voor. Halverwege de lange straat van ons hotel lopen we langs een jazz- en comedyclub waar een aantal beginnende comedians voor de deur staan die reclame maken voor een “free comedynight”. Ze staan net op het punt om met hun show te beginnen. ‘Zullen we hier binnen nog even verder drinken dan?’ ‘Leuk!’ zegt Fens.

Een paar comedians droppen hints dat hun gedrag nogal confronterend is, maar de hints komen totaal niet aan bij de dronken macho’s

Net als de comedians een beetje op gang komen en er een leuke sfeer ontstaat in de piepkleine club, komen er twee Mexicanen binnen stappen. Ze hebben allebei een bandana om hun hoofd en zien er nogal macho en gangsterachtig uit. Ze gaan recht voor het podium staan en zijn allebei duidelijk ladderzat. Terwijl de comedians verder gaan lachen of klappen de jongens niet. Ze nemen een imponerende houding aan en beginnen op een gegeven moment dwars door de show heen te praten. De sfeer wordt hierdoor nogal raar en beklemmend omdat ze nog geen meter van de comedians afstaan op gelijke hoogte. Een paar comedians droppen hints dat hun gedrag nogal confronterend is, maar de hints komen totaal niet aan bij de dronken macho’s. Ze zijn niet meer aanspreekbaar.

Eikel

Opeens komt de grootste, en zo te zien ook de domste van de twee uitgerekend tegen mij aan staan. ‘Ik irriteer me dood aan die eikel’ zeg ik tegen Fens en geef hem een zetje. De macho is zo dronken dat hij het niet eens door heeft. ‘Moet ik hem dan echt serieus een harde duw gaan geven?’ Fenske kijkt me aan en ik zie aan haar blik dat ze bang is dat dit op een ordinaire ruzie uitdraait. ‘Zullen we anders gaan?’ stel ik voor en precies op dat moment zie ik dat de macho’s zelf al besluiten om op te rotten. De sfeer knapt meteen op en we besluiten te blijven hangen tot het eind.

Schrijven en performen

Er zijn in totaal zeven comedians, maar eigenlijk heeft er maar eentje goede grappen. Het is een wazig figuur met een warrige baard alsof hij een vogelnest aan zijn kin heeft hangen. Het vreemde van deze man is dat hij zowat na elke grap weer op zijn spiekbrief gaat kijken en het publiek toespreekt met zijn ogen dicht. Hij kan dus wel goede grappen bedenken, maar hij blinkt niet uit in optreden. Dat blijkt toch maar weer eens een vak te zijn. Ik heb zelf allebei de kanten van het theater mogen ontdekken: het schrijven en het performen. Ik vind het schrijven persoonlijk leuker en interessanter, want het performen is vaak het eindeloos herhalen van het geschrevene. Het bedenken van theaterstukken ligt me ook wel, want ik vind het eigenlijk heerlijk om iets moois te maken en zelf op de achtergrond te blijven. Ik heb de theaterwereld vaak ervaren als een apart wereldje met een hoop vage lui waar ik weinig hoogte van krijg.

THEATERFLATER

In theorie is theater eigenlijk best leuk. Op een groot verlicht toneel worden stukjes opgevoerd ter vermaak, door mensen die daarvoor zijn opgeleid. Alleen in de praktijk zijn deze lui soms zo vaag en arty-farty dat zelfs de honden er geen brood van lusten. Bij de gratie van subsidie bestaande malloten met grootheidswaan voeren dan zulke quasi intellectuele en onsamenhangende hersenspinsels op dat ze het zelf niet eens meer begrijpen. Laat staan het helder uitleggen op een vermakelijke manier. Ik krijg er vaak het “kleren van de keizergevoel” bij. Je weet wel, dat eigenlijk niemand durft te roepen dat de keizer naakt loopt, omdat ze anders voor domoor worden versleten. Totdat een jongetje heel hard roept dat de keizer in zijn blote reet loopt en de hele stad in lachen uitbarst. Dat gevoel dus. Want mijn hemel, wat weten die lui het toch steeds weer godvergeten saai te maken!

Mijn eerste theaterstuk

Toen ik voor het eerst werd gevraagd om zelf een theaterstuk te schrijven zette mij dat wel even aan het twijfelen. Dit verzoek kwam destijds van Christine van Stralen, een uitermate grappig mens en een geweldige actrice. Nou ben ik geen theaterhater, maar ik heb toch vooral mijn ideeën van hoe het niet moet. Het leek me een mooie uitdaging om uit te proberen of mijn idee (van hoe het dan wel moest) ook echt werkte. Ik nam de praktijktest en schreef het stuk “Menu, toen en later”. Gelukkig viel het stuk in de smaak en kregen we (ik acteerde toen zelf ook mee) zeer lovende recensies. Sindsdien heb ik vaker stukjes voor Christine geschreven en vertellen we eerlijk aan elkaar wat we ergens van vinden. Zij nodigde me dan ook wel eens uit om een stuk te komen kijken ter inspiratie of gewoon om mijn mening te horen.

Toen een kerel die naast haar zat het stuk met quasi intellectuele prietpraat probeerde te verdedigen werd ik helemaal pislink en deed er nog een schepje bovenop

[foto: Nesterenko Maxym/Shutterstock]

Zo kwam ik op een avond een Amsterdams theater binnenlopen en zag haar op het podium in bed liggen met een valse baard op haar kin geplakt. Om haar bed heen reed een modeltrein rondjes en achter haar werd een foto van een huis op de muur geprojecteerd. Een paar andere lui zaten op de grond, kropen rond en hielden totaal onsamenhangende gesprekken, terwijl Christine het hele stuk zweeg. Nadat ik ongeveer een uur verbijsterd naar dit tergend saaie en tenenkrommende schouwspel had zitten kijken sprak Christine één zin uit en daarmee was het stuk plotseling afgelopen. Wat een opluchting!

Een vrouw met ballen

Zoals gewoonlijk ging ik na afloop in de bar met Christine nog even wat drinken om het stuk te bespreken. Ik ging helemaal los: ‘Christine wat de fok is dit?’ ‘Je gooit je goede naam te grabbel door in zo’n verschrikkelijk slecht stuk te spelen!’ ‘Dit is veruit het belachelijkste theaterstuk dat ik ooit gezien heb!’ Christine schoot in de lach en ik vervolgde mijn tirade: ‘De bedenker van dit stuk is totaal van de pot gerukt!’ Toen een kerel die naast haar zat het stuk met quasi intellectuele prietpraat probeerde te verdedigen werd ik helemaal pislink en deed er nog een schepje bovenop: ‘Nee, dit valt niet goed te praten!’

Christine zeek inmiddels bijna in haar broek van het lachen. Die quasi intellectuele kerel droop moment mokkend af terwijl Christine, nog half stikkend in haar lach, met een knalrode kop uitgierde dat hij juist de bedenker was! Tja, toen moest ik zelf ook wel even lachen. Het mooiste vond ik nog dat Christine het helemaal met me eens was en dat ze even later acuut met dit achterlijke stuk stopte. Een vrouw met ballen. Hoe dan ook, dankzij haar ben ik toch een beetje de theaterwereld ingerold en heb ik inmiddels een aardig rijtje succesvol uitgevoerde scripts op mijn naam staan. Het kan raar lopen.

Vrijdag 18 juni – Vancouver

Nog één middag door deze geweldige stad struinen en dan springen we weer op de trein. Gisteren hebben we het hele stadscentrum bekeken. De wandeling van eergisteren langs de parkrand is uitermate goed bevallen. Vandaag hebben we nog tijd om het centrum van het natuurpark te ontdekken. Dat is een wat hoger gelegen gedeelte met een prachtig groen oerbos met torenhoge bomen. We zullen de komende dagen nog heel veel natuur gaan zien vanuit de trein, maar dit is een mooie gelegenheid om de natuur ook nog even in te ademen. De unieke mengeling van zeelucht en bos hier is fantastisch. Soms ruik je het zelfs in de stad als de wind goed staat.

De wandeling van vandaag voelt als een soort afscheidstocht van deze schitterende plek en krijgt onbedoeld iets symbolisch. We beginnen het bos in te lopen over een smal, donker bospaadje dat “Loverslane” heet en vervolgens gaan we terug richting de English Bay over “Bridal Path”. Tot de schijt ons doodt natuurlijk, want het blijft een huwelijksreis. De rest van de middag zitten we in de zon op het strand aan de baai. Het uitzicht is hier zo mooi dat John Travolta er een penthouse heeft gekocht. De flat is makkelijk te herkennen omdat het één van de hoogste gebouwen is en er een boom bovenop zijn dakterras staat. Echt een fantastische plek. Dat heeft hij toch leuk bij elkaar geacteerd.

Het ‘Via Rail’ feest begint

Tegen het vallen van de avond pakken we een taxi naar het station en daar begint het feest van “Via Rail”, oftewel “the Trans Canadian”. Bij het inchecken worden we hartelijk begroet en krijgen we meteen een paar glossy folders. Onze tassen worden uit onze handen genomen en vast naar de trein gebracht. Het uiterst vriendelijke personeel verwijst ons naar een aparte lounge waar we gratis koffie en koek kunnen pakken. Er wordt zelfs live jazz ten gehore gebracht. De mooie zilveren trein staat al opgepoetst te glimmen. Klaar voor de nieuwe passagiers die in spanning zitten te wachten met het gevoel een bijzondere reis te gaan maken. Zo’n ontvangst is al een enorm verschil met onze voorgaande treinreizen.

We zijn nog maar net aan het rijden of we worden aan boord verwelkomt met champagne en lekkere toastjes. ‘Het lijkt wel of we in de hemel zijn beland!’

Het verschil wordt alleen nog maar groter als we even later naar onze coupé worden gebracht. Voor de verandering komen we binnen in een brandschone trein, niet stoffig, met ruime banken, ruime bedden, mooie restaurants en gezellige cafés. Als klap op de vuurpijl hebben ze de zogenaamde “panoramic domecars”. Dit zijn wagons met koepelvormige ramen die doorlopen in glazen plafonds zodat je alle hoge bergen om je heen perfect kunt zien. ‘Als je deze trein eenmaal van binnen hebt gezien kun je echt niet meer wachten om de Canadese Rocky Mountains door te rijden’ zeg ik verheugd. ‘Spannend!’

Zwart uitzicht

Vlak voordat het donker wordt klinkt het fluitsignaal voor vertrek. We zijn nog maar net aan het rijden of we worden aan boord verwelkomt met champagne en lekkere toastjes. ‘Het lijkt wel of we in de hemel zijn beland!’ zeg ik lachend. We genieten van de eerste kilometers van de rit, al is het uitzicht nog niets vergeleken met wat ons te wachten staat. Als het donker is worden onze bedden opgemaakt. Geen slechte timing, want we zijn best moe. En het leven in de trein begint altijd erg vroeg. Zodra de zon morgen weer op komt wordt er ongetwijfeld al volop van het uitzicht genoten en hoor je vaak de eerste ontbijtploeg al aantreden. Maar voordat we gaan slapen blijven we eerst net zo lang in de domecar hangen totdat het uitzicht zwart is.

360 graden in het rond kijken

We gooien al onze bagage op het bovenbed. Het onderbed is namelijk zo ruim dat we er met zijn tweeën in kunnen liggen. ‘Gezellig!’ Het mooie van dit onderbed is dat je vanuit een donkere coupé nog uit het raam naar de sterren kan kijken. Af en toe zien we nog lichtjes van kleine dorpjes in de verte. Zo worden we weer eens heerlijk in slaap gewiegd door het monotone geraas en gewiebel van de trein. Inmiddels een vertrouwd gevoel, maar zo naast elkaar nog leuker. Wat een trein is dit zeg! Ik verheug me nu alweer op het hangen in de domecar morgen. Ook mooi is de zogenaamde “360 car”. Hier kun je met een trappetje naar boven om daar in een soort glazen koepeltje te zitten. Zo kun je dus 360 graden in het rond kijken en zie je alle daken van de wagons zich als een kronkelende slang door de bochten wurmen. Dit is nog eens wat je noemt een rijdend hotel. Ik heb wel eens minder leuke ervaringen gehad op het dak van een hotel.

HET DAK OP

Als we in België optreden komt het wel eens voor dat we met de hele crew een hotel pakken. Dat is wel kostbaar, maar als je de volgende dag ook weer in België speelt is ‘s nachts heen en weer rijden geen optie. We maken er dan vaak meteen een leuk uitje van. Er wordt volop gedronken en iedereen gaat bij elkaar op visite in de hotelkamers. Zo zat ik een paar jaar geleden ‘s nachts nog wat door te zakken op de kamer bij onze DJ Daan en zijn vriendin Iris. Ik lag zelf op een kamer met onze lichtman Flits. Hij staat bekend als een extreem luide snurker dus niemand wou met hem op een kamer liggen. Omdat ik toch al bezopen was (en weet dat ik dan heel vast slaap) vond ik het allemaal best. Flits was moe en ging meteen pitten, dus ik ging nog even naar Daan en Iris.

Alleen opgesloten op een ijskoud dak

We zaten gezellig wat na te praten en te drinken tot wij ook moe waren. Het werd tijd om nog wat slaap te pakken. Met mijn bezopen harses stommelde ik de gang op en zocht naar de lift. Alleen ik kon die stomme lift nergens vinden en alles leek op elkaar. Ik lag maar één verdieping hoger dus met een trap was ik ook al blij. Ik zag opeens een deur met een bordje van een trap er op. Ik ging door de deur heen en liep door een koud gangetje een vage trap op. Het koude gangetje bleek bij nadere inspectie geen plafond te hebben. Ik stond opeens in een nis boven op het dak! Ik zag een andere deur, maar daar zat verder nergens een deurknop of bel aan vast. Open duwen of schuiven ging ook niet. Wat nu?

Ik besloot weer naar beneden te gaan, naar de deur waar ik net uit kwam. Het zelfde verhaal: geen deurknop, geen bel, en niet open te duwen! Daar stond ik dan, zonder jas op een ijskoud dak. Als een rat in een Belgische val. Geen raam om op te kloppen, geen mobieltje op zak en veel te hoog en te gevaarlijk om er af te klimmen. En iedereen sliep. Ik dacht een minuut lang na die op dat moment een eeuwigheid leek.

Engelse toeristen

Ik besloot om keihard te roepen en op de deur te beuken. Ik had besloten hem desnoods in te trappen als het moest. Even later had ik waarschijnlijk de hele bovenste verdieping wakker geschud, maar geen resultaat. Ik hield stug vol en na een paar eindeloos lange minuten kwamen er een paar geschrokken Engelse toeristen kijken wat er aan de hand was. ‘Whats going on?’ riepen ze vanuit de verraderlijke deuropening. Voor deze weer in het slot kon vallen rende ik als een gek naar beneden en riep: ‘Hold the door!’ ‘You have saved my life!’ Ik legde ze de idiote situatie uit en bedankte ze duizendmaal.

Ik beukte en schopte tegen de deur, maar hij deed niet open. Wat de fok! Nu stond ik alweer op een deur te beuken!

[illustratie: Jovanovic Dejan/Shutterstock]

Blij als een kind liep ik nu weer over de verwarmde hotelgang op zoek naar de lift. Na deze puzzel opgelost te hebben kwam ik eindelijk bij de juiste verdieping aan en liep naar mijn kamer. Ik hoorde Flits vanaf de gang al snurken. Ik klopte aan, maar hij deed niet open. Ik beukte en schopte tegen de deur, maar hij deed niet open. Wat de fok! Nu stond ik alweer op een deur te beuken! Die gozer was niet wakker te krijgen. Omdat ik nog wel wist hoe ik bij de kamer van Daan en Iris moest komen besloot ik hen maar weer lastig te vallen. Gelukkig waren ze nog wakker en kon ik mijn verhaal even kwijt.

Geen snurk gehoord

Via de telefoon op hun kamer kon ik naar mijn eigen kamer bellen. Flits nam keihard niet op. Ik bleef stug volhouden en toen hoorde ik dat hij zonder iets te zeggen de hoorn van de haak afgooide. De lamstraal. Dat betekende dus wel dat er nog enig leven in zat. Ik rende meteen naar boven en beukte weer op de deur. Een zwaar verlopen en bloedchagrijnige kop deed de deur open. Ik had zelf meer redenen om chagrijnig te zijn, maar ik was al lang blij dat ik eindelijk kon pitten. Ik wenste Flits een goede nacht en meteen weg in een diepe slaap. Geen snurk meer gehoord.

(advertenties)