(advertentie)
(advertentie)
(advertenties)

Vanuit Japan gaat de wereldreis van Def P verder naar Canada, en daarvoor wordt de trein ingeruild voor het vliegtuig (duh). In de autobiografie kijkt hij terug op een bizar treffen met een snuifneus op een patserboot!

Maandag 14 juni – Tokio – Vancouver

Ik heb het gevoel dat dit een hele lange dag gaat worden. Deze begint ’s ochtends heel vroeg al. Fenske is wakker geworden omdat er weer een lichte aardbeving aan de gang is. Ze schudt mij wakker en roept: ‘Hééé doe jij dat?’ Half slapend roep ik automatisch: ‘Nee!’ maar eigenlijk heb ik geen idee waar ze het over heeft. ‘Het bed schudt weer!’ roept Fenske nu met een lichte paniek in haar stem. ‘Ja, nu ga ik slapen’ is mijn geruststellende antwoord. Ik val meteen weer in een diepe slaap. Wanneer we later die ochtend echt waker worden van de wekker weet ik nergens meer van.

Laatste ochtend in Tokio

!cid_B0EBB353-EA33-4D0A-8BF7-E27C4141F95EOmdat dit onze laatste ochtend in Tokio is hebben we een speciale ontbijtservice besteld die al heel vroeg de lekkerste dingen naar je kamer komt brengen. Maar omdat de fanatieke schoonmaaksters ook het bestelkaartje aan onze deurknop hebben “opgeruimd” is deze bestelservice nooit aangekomen. Nou moeten we bliksemsnel inpakken en zonder eten uitchecken. Bij een klein winkeltje kopen we snel wat water, reepjes en chips voor onderweg. Even na twaalven zijn we met onze volle bepakking op weg naar het treinstation. Het regent nog steeds. Terwijl we Fenske haar half kapotte tas naar het station slepen moeten we onderweg zelfs stoppen om de boel met tape vast te zetten. Anders zou die ter plekke doorscheuren. Het is een tas van een tientje die Fenske met mijn tante op de Albert Cuijp heeft gekocht.

Roltas van een tientje

Eigenlijk voor mij bedoeld, omdat mijn tas niet kan rollen. Ik vind het heel lief van ze, maar ik vertrouw geen tas van een tientje voor een wereldreis. Ik ging dus liever tillen en Fenske nam de nieuwe roltas mee. Deze tas gaat onze wereldreis nog maar net volhouden. Gelukkig wordt haar tas wel steeds lichter door het weggeven of weggooien van kleding. ‘Wat een toeval dat het steeds regent op onze laatste dag’ zeg ik al tapend. ‘Eigenlijk hoort er ook nog onweer bij, maar omdat we zo gaan vliegen is het beter van niet.’ Even na één uur zitten we in de metro naar het vliegveld. Het is geen doorsnee metro, want er zitten ook luxe wagons aangekoppeld waar je van te voren voor moet reserveren. Ik ben al lang blij dat we in de juiste trein zitten, want het is soms best een ingewikkeld gedoe op zo’n buitenlands station. Deze treinrit moet zo’n anderhalf uur gaan duren. Alsof Tokio ons op de valreep nog even wil laten zien hoe groot ze is.

!cid_0D4E8079-2D99-453F-87FF-2C3241FFADEC

Laatste Japanse geld

‘We moeten onze bagage gaan inchecken bij Air Canada’ zegt Fens op het vliegveld. ‘Daar!’ Helaas is daar net iets mis met het systeem. Iedereen moet nu op de ouderwetse manier handmatig ingecheckt worden. Alle mensen van het vliegtuig voor ons staan er zelfs nog. We staan in zo’n lange zigzag-rij tussen paaltjes met linten. De mensen van ons vliegtuig mogen nog niet aansluiten. We worden met een grote groep mensen gestationeerd in een soort niet bewegende rij tussen een paar linten. ‘Net als vee tussen hekken’ mompel ik. Daar staan we dan met een hoop geïrriteerde en zuchtende mensen om ons heen. Pas na anderhalf uur wachten mogen we onze tassen afgegeven. Ons vliegtuig zou rond zes uur vertrekken, dus we hebben nog net een beetje tijd over om ons laatste Japanse geld uit te geven aan koffie en bier. Met slechts een kleine vertraging stijgen we op. Met een groot modern vliegtuig snijden we dwars door de stromende regen.

Ik ben veel te moe om het meteen tot me door te laten dringen, maar het is nu blijkbaar nog steeds dezelfde dag als toen we “gisteren” uit Tokio vertrokken. Ik ben met stomheid geslagen

!cid_32C3F4B1-58D5-4E49-B614-0687988CFB54‘Dit is voor ons allebei de eerste keer dat we de grote oceaan oversteken naar de andere kant van de wereld’ zeg ik. Fenske knikt met een blik die verraad dat ze er liever niet aan herinnerd wordt hoe lang de vlucht duurt. We proberen wat te slapen in onze stoelen, maar het wordt nauwelijks nacht. Het wordt donker, we dommelen een beetje weg en even later komt de zon alweer op in volle glorie. Het is nu mooi weer en de lucht is prachtig. Na bijna negen uur vliegen moeten we landen in Canada. Omdat het weer nu zo helder is kan ik het prachtige landschap perfect zien. Tegen het einde van de vlucht zie ik plotseling heel Vancouver voor ons liggen met witte besneeuwde bergtoppen op de achtergrond. Als een soort lijst om het stadsgezicht. Zo vanuit de lucht gezien doet het me een beetje aan Lhasa denken.

Op Canadese grond

Rond half twaalf plaatselijke tijd landt ons vliegtuig op Canadese grond. Even later lopen we door een schitterende luchthaven met allerlei vijvertjes, watervalletjes en houten totempalen. Op een grote kaart zien we dat ons hotel nog een aardig eind van het vliegveld verwijderd is. We pakken weer een soort metro naar het centrum van de stad. Er zitten opvallend veel Aziaten in deze metro, dus het is eigenlijk net of we nog in Tokio zijn. Na een schitterende rit van een klein uurtje komen we in het centrum van Vancouver aan. ‘Wauw! Wat een mooie stad is dit zeg!’ roept Fens. ‘Ja, vet hoor!’ zeg ik lurkend aan een grote bak koffie. ‘Nog één taxirit en we kunnen eindelijk uitrusten!’ Moe maar voldaan sjouwen we even later onze tassen het hotel in.

One day early

‘Oh, you’re early’ zegt de Aziatische dame achter de balie. ‘Early?’ zeg ik. Het is al half drie ’s middags geweest en ik snap niet wat ze bedoelt. ‘You’re a day early’ legt ze uit. Ik ben veel te moe om het meteen tot me door te laten dringen, maar het is nu blijkbaar nog steeds dezelfde dag als toen we “gisteren” uit Tokio vertrokken. Ik ben met stomheid geslagen. ‘Na zo’n ongelofelijk lange reis is het nog steeds dezelfde dag!’ zeg ik op verbaasde toon tegen Fens. Ik probeer het puzzeltje in mijn hoofd te passen, maar op dit moment komt mijn vermoeide brein niet verder dan dat we ergens in tegengestelde richting over een soort tijdsgrens zijn gevlogen waar de dagtelling begint. ‘Ik heb dit hotel thuis al geboekt en zou toen zweren dat we de vijftiende pas aan zouden komen.’ ‘Maar we hebben er nu opeens 24 uur bij’ zegt Fens troostend. ‘Ja, maar ik moet er niet aan denken dat we nu eerst nog een ander hotel moeten zoeken.’ De dame achter de balie verlost me uit mijn lijden: ‘Jullie kunnen wel een dag extra boeken voor de reservering in gaat hoor.’ Ze glimlacht als ze ziet hoe opgelucht ik ben. Het is een onvoorziene uitgave, maar we hebben opeens een dag extra vakantie in Canada! We pakken de lift naar de eerste verdieping en komen op een kamer uit met ruim uitzicht over een schitterende baai. ‘Jezus wat mooi!’ ‘Hier hebben we weer mazzel mee.’ Moe ploffen we op het bed neer. Fenske doet de TV aan en daarop zien we nog net hoe Nederland met 2-0 wint van Denemarken. Daarna vallen we allebei als een blok in slaap.

!cid_E09EFD2E-DF99-4D9F-9FFC-FA762F47E4BD

Regen en (jawel!) onweersbui

Pas tegen het einde van de middag schrikken we wakker van (jawel!) een keiharde regen en onweersbui! Ons vertrek uit Tokio voelt inmiddels aan als eergisteren, maar kalendertechnisch gezien is dit nog steeds dezelfde dag. En we hebben zelfs de hele avond nog voor ons! Maar wat is dat toch steeds met dat onweren op de dag van onze grensovergang? Zit het weer achter ons aan of wij achter het weer? Het begint nu wel iets onheilspellends en mysterieus te krijgen, maar ik moet er ook een beetje om lachen. We kleden ons aan om onze nieuwe buurt te gaan verkennen bij ruig weer. Even later zitten we bij een Thais restaurant aan een heerlijke maaltijd. We hebben thuis een Thai om de hoek waar we regelmatig afhalen, dus dit voedsel voelt meteen heel vertrouwd. Lekker uitgerust en flink aangesterkt lopen we Vancouver in.

In de gaybar

!cid_E8295AE9-2CAD-40A3-BE1C-A4C7CBEB4519We zitten in een leuke buurt en we besluiten om wat te gaan drinken in de kroeg die er het leukste uit ziet. Ik probeer Canadees bier van de tap uit. Een grote pul Blue Moon geloof ik. Erg lekker! We kijken eens goed om ons heen en blijken in een gaybar te zitten, maar zo te zien vindt niemand het raar of storend dat er opeens een getrouwd heterostel aan de bar zit. De barman vindt het zelfs erg leuk dat hij twee toeristen aan de bar heeft en begint een heel gesprek met ons. Hij is bijzonder vriendelijk en geeft ons een hoop bruikbare tips over Vancouver. Hij geeft me zelfs een hele bierpul gratis. Dat Canadese spul klokt weg alsof het limonade op een hete zomerdag is. Ik probeer een aantal smaken van de tap en ze zijn allemaal lekker. We blijken met ons hotel midden in de gay-area te zitten, maar volgens de barman is dit ook absoluut de leukste buurt. Daar hebben we dus mazzel mee. ‘Nou, het was wel een lange dag hè?’ ‘Ja, de langste dag ooit!’ ‘Laten we terug gaan.’

Wild wasbeertje

Wanneer we die nacht terug naar onze hotelkamer lopen zien we een wild wasbeertje tussen de vuilnis scharrelen. ‘Fens, kijk dat dan!’ ‘Oh wat schattig!’ Een zwerver ziet onze verbaasde reactie en heeft meteen door dat we toeristen zijn. ‘Die beesten lopen hier heel vaak rond, ze zijn soms een echte plaag! roept hij met een rauwe stem. Grappig dat zelfs de zwervers hier vriendelijk zijn. Eigenlijk zijn alle Canadese mensen die we tot nu toe hebben ontmoet bijzonder aardig. Dat waren de mensen in Tokio ook, maar daar zijn ze toch niet zo goed met Engels. En dat communiceert soms erg lastig. Het voelt vertrouwd om na zo’n lange reis door het oosten weer in een westers land te zijn waar je alles gewoon kunt vragen zonder communicatieproblemen. Dat geeft je als toerist een minder afhankelijk gevoel. Want als ik ergens niet van houdt, dan is het afhankelijk zijn.

 

*** flashback ***  AFHANKELIJK VAN SPEEDBOOT

Als je goed om je heen kijkt kun je vaak al zien wie er onder de rijken, de middenklassers of armen vallen. Maar ook zie je dat mensen over het algemeen met hun eigen klasse omgaan. Mensen zoeken nou eenmaal troost bij lotgenoten of vertier bij medeboffers. Het is voor rijken ook niet zo interessant is om met sloebers om te gaan die nooit kunnen meepraten over dure vakanties, huizen, auto’s en boten. Toch zeggen deze verschillende klassen niets over stijl of mentaliteit. Die kan bij beide uitersten even verfijnd of belabberd zijn.

Enorme patserboot

shutterstock_222134353

Bootje varen in Amsterdam is niet altijd een onverdeeld genoegen… [illustratie: Tomacco/Shutterstock]

Zo was ik een keer op een warme zomerdag met een vriend van mij mee naar een strandje. Deze jongen heeft het leuk voor elkaar, want we gingen er naar toe met een lekkere ruime cabriolet. Dat was al een leuke gebeurtenis voor mij, want ik vind het prachtig om met zo’n ding door zonnig Amsterdam te rijden. Toen we bij het strandje zaten belde mijn vriend met twee kennissen van hem die daar met een speedboat in de buurt waren. Even later kwamen ze met een enorme patserboot bij ons strandje aan. Wij mochten wel een stukje meevaren met Snuifneus en Zakenpik. (Laat ik ze voor het verhaal maar even zo noemen.) Op het eerste gezicht leek Zakenpik mij wel een beschaafd heerschap, maar Snuifneus was meer van het type “zeer asociale afkomst en toch lekker rijk geworden”. Zo’n roekeloos figuur dat zich in de housewereld naar de zakelijke top heeft gesnoven, flink de gangster uithangt, zo nu en dan een “Ferrari’tje” in de prak rijdt en over tonnetjes praat alsof het tientjes zijn. Zie je het type voor je?

Snuifneus op haventerras

Zelf houd ik er niet van om afhankelijk van een vreemde te zijn, maar ik was daar al met andermans auto mee. En omdat mijn maat graag mee wou varen, ging ik ook mee op die dure patserboot. Even later scheurden we werkelijk met zo’n idiote snelheid over de plas dat ik niet eens meer naar voren kon kijken door de wind die met orkaankracht in mijn ogen blies. We meerden aan bij wat hun thuishaven bleek te zijn, want Zakenpik vertrok vanaf daar met zijn auto. Snuifneus ging op het haventerras zitten bij zijn broer. Hun echtgenotes met kleine kinderen waren er ook bij. Zo zaten we daar dus met zijn allen op een openbaar terras aan de haven.

Ik had het nu helemaal gehad met deze opgefokte rasidioot. Ik ging dat hele tyfuseind naar de auto terug liever lopen dan dat ik nog een minuut langer van deze asociale brulaap afhankelijk was

shutterstock_236965261Daar begon hij tussen zijn familie zittend te bellen en de hele sfeer sloeg in één klap om van quasigezellig naar een soort scène uit Scarface. Waar iedereen bij was begon Snuifneus als een soort doorgeflipte Tony Montana het hele terras bij elkaar te schreeuwen over de klootzakken waar hij zaken mee moest doen. Woest brulde hij door zijn telefoontje hoe hij hun kelen van oor tot oor zou doorsnijden. En zo ging hij nog even door. Ik zag dat zijn eigen kinderen er bang van werden. Ik zal je de details besparen, maar niemand op het terras vond het nog leuk of gezellig meer. Mijn vriend probeerde Snuifneus nog te kalmeren door een biertje voor hem neer te zetten, maar die smeet hij met een agressieve smak kapot tegen de muur. Klatsh!! Ik voelde dat als ik nu niet weg ging de boel uit de hand zou lopen.

Arbeidersklasse

Toen we na een ongemakkelijke stilte rustig aangaven dat we eigenlijk wel terug naar het strandje wilden, zei Snuifneus met zichtbaar genoegen dat zijn boot kapot was en dat we maar terug moesten lopen. Dat was natuurlijk een leugen. Ik had het nu helemaal gehad met deze opgefokte rasidioot. Ik ging dat hele tyfuseind naar de auto terug liever lopen dan dat ik nog een minuut langer van deze asociale brulaap afhankelijk was. ‘Wij komen er wel’ zei ik terwijl ik opstond en wegliep. Gelukkig stopte er een tram in de buurt en kwamen we vrij makkelijk bij het strandje terug. Nog steeds arbeidersklasse, maar wel weer een maffe ervaring rijker. Je zal maar zo opgefokt door het leven moeten gaan. Dan liever wat meer bedeeld in geluk.

Volgende keer: Vancouver + LANDJUWEELTJE

(advertenties)