- Meer buitenwiet? Maak zelf biologische (PK-) bloeibooster
- Kijk: de mooiste full-melt waterhasj wordt in 3 minuten gemaakt
- Waarom mensen zich eerst verdiepen in microdosing (voor ze beginnen)
- Wanneer en waarom geef je wietplanten calcium (Ca)?
- Cookies Gelato: voor THC-zoetekauwen die niet kunnen kiezen
- 18 volstrekt legale (!) producten die veel gevaarlijker zijn dan wiet
Wiet versus wijn oftewel: Bob Marley versus Charles Baudelaire

De vraag of wiet of wijn slechter is voor je gezondheid, is makkelijk te beantwoorden. Alcohol is echt schadelijker dan cannabis, zolang je die puur rookt of verdampt. Welk middel een fijner effect heeft is een veel lastigere vraag; smaken verschillen nu eenmaal…
Charles Baudelaire en de ‘Club des Hashischins’
175 jaar geleden boog de Franse dichter en bohemien Charles Baudelaire (1821-1867) zich over deze vraag in een beroemd geworden essay met de titel ‘Over de Wijn en de Hasjiesj vergeleken als middelen om de individualiteit te vermenigvuldigen’.
De jong gestorven Baudelaire is vooral beroemd om zijn dichtbundel Les Fleurs du Mal, de bloemen van het kwaad. Hij was een romanticus en een revolutionair, een atheïst en een grensoverschrijdend kunstenaar. Sommige van zijn gedichten werden verboden omdat ze als obsceen en immoreel werden beschouwd.
Baudelaire was lid van de beroemde Club des Hashischins, een groep schrijvers en intellectuelen die in Parijs samenkwam om stoned te worden van majoum, ook bekend als dawamesk, een zoete lekkernij met een flinke hoeveelheid hasj.

‘Een soort verrukkelijk genotmiddel voor een zekere categorie van liefhebbers’
Het essay waarin Baudelaire de effecten van wijn en hasj met elkaar vergelijkt verscheen in 1851 en is in 1966 vertaald door Bart Huges. Over deze man, die een gaatje in zijn hoofd boorde en zijn dochter Maria Juana noemde, schrijf ik nog wel eens een aparte column. De citaten in deze column zijn afkomstig uit zijn vertaling.
Baudelaire hield van de roes. En hij kende de nadelen van wijn: ‘De wijn lijkt op de mens: men zal nooit kunnen weten tot hoe ver men hem kan achten en hem moet minachten, hem liefhebben en haten, noch tot hoeveel sublieme handelingen of monsterachtige misdrijven hij in staat is.’
Na het hoofdstuk over wijn, schakelt hij over op “een substantie die sedert enige jaren in de mode gebracht is, een soort verrukkelijk genotmiddel voor een zekere categorie van liefhebbers, waarvan de uitwerking op heel andere wijze treffend en machtig is dan die van de wijn”. Hasj dus.
‘Een zekere absurde en onweerstaanbare lachlust’
Op de moderne lezer komen sommige van Baudelaire’s beschrijvingen van de effecten van hasj overdreven over. Maar bedenk dat hij de hasj niet rookte, maar at of dronk, waardoor het effect veel sterker is. Zoals hij schrijft: ‘In het algemeen moet men hasjiesj, om het al zijn kracht en al zijn uitwerking te geven, oplossen in hete zwarte koffie en het nuchter nemen’.

Baudelaire’s typering van de lachkick snijdt 175 jaar na dato nog altijd hout: ‘Eerst neemt een zekere absurde en onweerstaanbare lachlust bezit van u. De gewoonste woorden, de eenvoudigste ideeën nemen een bizarre en nieuwe gelaatsuitdrukking aan. Deze vrolijkheid is voor uzelf ondraaglijk; maar het is nutteloos tegen te stribbelen. (…) U lacht om uw nietigheid en om uw dwaasheid; uw kameraden lachen u in uw gezicht uit, en u wordt niet kwaad op hen, want de welwillendheid begint zich te openbaren.’
In de tweede fase “worden de zintuigen buitengewoon verfijnd en verscherpt” en treden hallucinaties op. ‘De proporties van de tijd en van het zijn, zijn gestoord door het ontelbare aantal ideeën. Men leeft verscheidene mensenlevens in de ruimte van een uur.’
Eén ding weet de dichter zeker: hasj ondermijnt de wilskracht
Er kan zich een vreetkick voordoen, al bestaat dat woord natuurlijk nog niet in 1851. Baudelaire: ‘Soms ontwikkelt de trek in eten zich ondertussen op buitengewone wijze; maar er is grote moed voor nodig om een fles, een vork en een mes te verplaatsen.’ De derde fase “is wat de oosterlingen kief noemen; dat is het absolute geluk”:
‘Het is niet meer iets wervelends en stormachtigs. Het is een kalme en onbeweeglijke gelukzaligheid. Alle wijsgerige vraagstukken zijn opgelost. Alle moeilijke vragen waartegen de godgeleerden vechten, en die de wanhoop van de denkende mensheid maken, zijn doorzichtig en helder. Alle tegenspraak is eenheid geworden.’
Als disclaimer voegt de dichter toe dat hasjiesj niet “op alle mensen alle uitwerkingen heeft die ik zojuist beschreven heb”. Maar één ding weet hij zeker: hasj ondermijnt de wilskracht.
‘Iemand die zich met een lepeltje vol majoum ogenblikkelijk alle goederen van de hemel en van de aarde kan verschaffen, zal nooit het duizendste deel ervan door werk verwerven. Men moet voor alles leven en werken.’

Charles Baudelaire en Bob Marley voeren een levendige discussie over de effecten van wiet versus wijn…
Bob Marley: ‘Wiet laat je mediteren’
Dan voel ik me toch meer thuis bij de visie op wiet en wijn van een andere dichter, die een dikke eeuw later leefde. Toen Bob Marley (1946-1981) door de Nieuw-Zeelandse muziekjournalist Dylan Taite werd gevraagd naar alcohol en wiet, zei hij:
‘Je kunt wat wiet roken en je hoort alle auto’s die voorbij rijden niet meer, ook al woon je in de stad. Omdat je anders denkt. Als je zomaar leeft, brengt de hele wereld je in de war, je maakt je zorgen en je hebt geen tijd om te denken. Wiet geeft je een beetje tijd voor jezelf, zodat je kunt léven. Als je het gebruikt.
(…)
Alcohol maakt je gewoon dronken, man. Het laat je niet mediteren, het maakt je alleen maar zat. Als je alcohol drinkt mediteer je niet – je bent eerder duizelig. Wiet is meer… een bewustzijn.’
Misschien was Baudelaire bang voor dit effect van wiet, dat Bob Marley in een ander interview omschreef:





































































