(advertentie)
(advertentie)
(advertenties)

Genetica kan moeilijk zijn om te begrijpen. Daarom hier alweer het laatste deel van de elementaire beginsels uit de basisterminologie. Doe je voordeel met deze verklarende woordenlijst!

Fenotype

Het fenotype (letterlijk: verschijningsvorm) is het totaal van alle waarneembare eigenschappen (kenmerken) van een plant, inclusief zaken als kleur, geur en smaak. Het is het resultaat van de genetische aanleg (het genotype) van een individu en de invloed daarop van zijn omgeving.

Genotype

De verzameling eigenschappen van het individu die is geërfd van beide ouders. Simpel gezegd bepaalt dit hoe je plant er van binnen uitziet. Het is de optelsom van alle genetische informatie die jouw plant herbergt en doorgeeft aan het nageslacht. Samen met de invloed van de omgeving bepaalt het genotype dus het fenotype: het totaal van alle waarneembare eigenschappen van een plant.

Dominant

Je spreekt over dominant als je een gen of een allel beschrijft dat tot uitdrukking komt zelfs als het geërfd wordt van slechts één ouder. Het wordt ook gebruikt om een erfelijke eigenschap te omschrijven die gecontroleerd wordt door een gen en verschijnt bij een individu zonder dat het andere gen van het genenpaar zichtbaar is, terwijl allelen van beiden aanwezig zijn. Er hoeft slechts één dominante allel in het genenpaar te zijn om voor een genotype en uiteindelijk een fenotype van jouw plant te leiden.

Recessief

Recessief of niet-dominant beschrijft een gen, allel of erfelijk kenmerk dat alleen waarneembaar is in de homozygote plant. Het wordt in heterozygote planten gemaskeerd door een dominante allel of erfelijke eigenschap. Een gen wordt recessief genoemd wanneer het effect ervan niet gezien kan worden in het fenotype van jouw plant indien er slechts één allel aanwezig is. Dezelfde allel moet dus twee keer voorkomen in het genenpaar wil je het terug kunnen zien in het fenotype van je wietplant.

Opmerking

We gaan er nu van uit dat de dominante ‘B’-allel de drager is van de erfelijke kenmerken voor Big Bud, terwijl de recessieve ‘b’-allel de erfelijke eigenschappen voor kleine toppen (small bud) herbergt. En omdat B dominant is, zal een plant met een Bb genotype dus altijd Big Bud produceren. De B is dominant ten opzichte van de b. Indien je een niet-dominant gen tot uitdrukking wilt laten komen in het fenotype, moet je er voor zorgen dat beide genen in het genenpaar recessief (= niet-dominant) zijn. Dus een plant met het BB- of Bb-gen zal altijd Big Bud produceren. Alleen een plant met het bb-gen zal small bud produceren…

 

(advertenties)