(advertentie)
(advertentie)
(advertenties)

Wie zoekt, zal vinden. Het heeft me even gekost, maar eindelijk heb ik een degelijke wetenschappelijke bron opgespoord voor wat Ben ‘Sensi Seeds’ Dronkers me jaren geleden verzekerde: in de Gouden Eeuw rookten Nederlanders hennep, al dan niet vermengd met tabak. Het is echt waar: we blowen al sinds de vroege zeventiende eeuw!

Overvloed en onbehagen

Wie zich in de geschiedenis verdiept weet dat voetnoten kunnen werken als magische wegwijzers naar andere bronnen van kennis. Toen ik laatst iets opzocht in het boekje ‘Cannabis in Amsterdam’ van Adriaan Jansen, kwam ik een zinnetje tegen, waar ik eerder blijkbaar overheen had gelezen: ‘Schama suggereert dat de Nederlanders uit de zeventiende eeuw hun tabak mengden met cannabis, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat dit openlijk en op grote schaal gebeurde.’

Schama is de Britse historicus Simon Schama, die de suggestie over hennep rokende Nederlanders doet in zijn bestseller ‘Overvloed en onbehagen: de Nederlandse cultuur in de Gouden Eeuw’ uit 1987. Dat boek wilde ik al langer hebben, maar nu bestelde ik het ook, vanwege het zinnetje hierboven.

‘Koopwaar gesausd met cannabis’

In het hoofdstuk ‘Feesten, vasten en tijdige boetedoening’ schrijft Schama:

‘De gewoonte van brouwers om hun produkten te versterken met tranceverwekkende of hallucinogene middelen als zwart malwillempjeskruid, belladonna of doornappels ging zeker terug tot de late middeleeuwen en bleef bestaan ondanks strenge verboden door Kerk en staat. Tabaksverkopers, vooral die met een volkse klantenkring, gebruikten soortgelijke recepten voor hun product, maar vermoedelijk met onevenredig sterke verdovende werking. Roessingh, die de geschiedenis van de Nederlandse tabaksindustrie heeft geschreven, sluit de mogelijkheid niet uit dat een deel van de koopwaar misschien was ‘gesausd’ met Cannabis sativa.’

ADRIAEN BROUWER “RAUCHENDE UND TRINKENDE BAUERN”

Tabak werd ‘verbeterd’ met hennep

Dat is wel heel voorzichtig uitgedrukt. Roessingh zelf is veel uitgesprokener. Want natuurlijk kon ik het niet laten om ook zijn boek aan te schaffen, ‘Inlandse tabak in de 17e en 18e eeuw’, in 1976 verschenen bij de eerbiedwaardige uitgeverij de Walburg pers. Dat blijkt een heerlijk boek te zijn, oorspronkelijk een scriptie van de landbouwuniversiteit Wageningen.

Als Roessingh is beland bij het mengen van tabak met andere producten, schrijft hij:

‘Dat de tabak ook ‘verbeterd’ werd met andere middelen, die een krachtiger effect hadden, is wel zeker. Zoals wij nog zullen zien, zijn er allerlei aanwijzingen dat tabak in het begin van de 17e eeuw wel gemengd werd met bilzekruid, met andere nachtschadeachtigen en met hennepprodukten. Dit gebeurde dan niet in de eerste plaats uit economische motieven, maar bewust om een euforisch of roesverwekkend effect te bereiken.’

Nederlanders begonnen speciaal voor de Hottentotten hennep te telen, die deze met tabak uitermate gretig als betaalmiddel aanvaardden en het mengsel rookten ‘ten einde te eerder dol in ’t hoofd en vrolijker te worden

Meer dan vier eeuwen geleden werd er dus al geblowd in Nederland, dat toen feitelijk nog niet bestond. Bij de historische feiten die Roessingh aanhaalt om zijn bewering te staven zitten juweeltjes als deze: ‘Toen de Nederlanders zich onder van Riebeeck aan de Kaap vestigden (1652), begonnen zij speciaal voor de Hottentotten hennep te telen, die deze met tabak uitermate gretig als betaalmiddel aanvaardden en het mengsel rookten ‘ten einde te eerder dol in ’t hoofd en vrolijker te worden’.’

Egyptische en Turkse hasj

Roessingh denkt dat er af en toe Egyptische en Turkse hasj, waarvoor hij de Indiase term bhang gebruikt, door de tabak werd gemengd, maar vooral geïmporteerde hennep. ‘Waarschijnlijker lijkt het echter, dat het gaat om tabak met hennep, die kant en klaar uit de Levant (Zuidwest Azië, red.) of uit India ingevoerd werd.’

Ook in België werd destijds geblowd: ‘Voor de handelsstad Antwerpen, waar Adriaen Brouwer werkte, is het roken van ingevoerde, oriëntaalse tabak gemengd met hennep wel aannemelijk.’

Coffeeshops van de Gouden Eeuw

Wie weleens in het Hash, Marijuana & Hemp Museum is geweest, in Amsterdam of Barcelona, kent de schilderijen van Adriaen Brouwer. Ben Dronkers heeft ze niet voor niets gekocht; hij beschouwt de taferelen van rokende Hollanders in kroegen als beelden van de coffeeshops van de Gouden Eeuw.

En Roessingh is het met Ben eens, blijkt uit de onderschriften bij twee van Brouwers’ schilderijen in zijn boek. Bij Rokers schrijft Roessingh: ‘De bedwelmende werking van de rook blijkt hier duidelijk.’ En bij Tabakskroeg: ‘De persoon op de voorgrond verkeert in een roes, teweeggebracht door het roken.’

Genot- en roesmiddelen zijn van alle tijden

Nu de discussie over een mogelijk buitenlanderverbod voor coffeeshops in Amsterdam oplaait en het duo Tops & Tromp weer een nieuw boek aan het promoten is, kan het geen kwaad de volgende, prachtige passage van Roessingh eens goed te lezen.

‘Veelal denkt men dat het gebruik van genot- en roesmiddelen in West-Europa iets is van de laatste eeuwen en dat eerst in onze tijd een nog niet bereikt hoogtepunt in het gebruik van deze middelen is ontstaan. Altijd heeft de mens echter gezocht naar een oplossing of verlichting van zijn moeilijkheden in het leven, naar hulpmiddelen voor een beter contact met zijn medemens en in het algemeen naar verzachting van zijn onlustgevoelens. Door alle eeuwen heen was er behoefte aan middelen om de omgeving te veranderen in een kunstmatig paradijs en om op een bepaald moment te kunnen ontsnappen aan de druk van de realiteit. Dit geldt voor de middeleeuwer of de primitieve Zuid-Amerikaanse Indiaan evengoed als voor de 17e-eeuwse boer uit West-Europa of de modern denkende Europeaan uit de tegenwoordige tijd.’

Amen!

(advertenties)